Deze geschiedenis van Nijmegen is een korte samenvatting van ‘Nijmegen, Geschiedenis van de oudste stad van Nederland’ dat begin mei in drie delen verschijnt.

1. Landschap en prehistorie

Invloeden uit de ijstijd hebben er door opstuwing van land toe geleid dat Nijmegen een stad is die zich, als een van de weinige in Nederland, boven haar omgeving verheft. Op de zandgronden rond hoog-Nijmegen vestigden zich rond het vierde millennium voor Christus de eerste boerengemeenschappen. De kennis over deze prehistorische tijd is beperkt. Ze berust voornamelijk op grafvondsten, waardoor we relatief veel weten over de gebruiken rond overlijden en dood, maar weinig over het dagelijkse bestaan van de vroege boerenbevolking. Tegen het einde van de prehistorie vestigden zich ook Bataafse immigranten in het rivierengebied.

2. De ruimtelijke ontwikkeling

Kort voor het begin van onze jaartelling verschenen de eerste Romeinse troepen in het gebied rond Nijmegen. Als basis kozen zij de Hunerberg, waar een grote legerplaats gevestigd werd. Ten westen hiervan, bij het Valkhof, kwam een burgerlijke nederzetting tot ontwikkeling, Oppidum Batavorum, hoofdplaats van de Bataafse bondgenoten van de Romeinen. Dit bondgenootschap werd voor de Bataven steeds minder profijtelijk, wat in het jaar 69 leidde tot de Bataafse Opstand. Nadat Romeinse legers de rust hadden hersteld, werd het verwoeste Oppidum Batavorum herbouwd om zich in korte tijd te ontwikkelen tot de grootste Romeinse stad op Nederlands grondgebied. Keizer Trajanus schonk omstreeks het jaar 100 het marktrecht aan de stad, die sindsdien Ulpia Noviomagus werd genoemd. Tegen het eind van de tweede eeuw verwoestten grote branden de stad, die daarna weliswaar opnieuw in gebruik werd genomen maar niet meer de bloei van weleer zou bereiken. Onder invloed van voortdurende aanvallen van Germaanse (Frankische) stammen werd Nijmegen rond het jaar 270 grotendeels verlaten.

3. Bestuur en organisatie

De noordwestelijke grens van het Romeinse Rijk werd gevormd door een reeks van militaire forten langs de zuidelijke oever van de Rijn. Omstreeks het jaar 90 kreeg het gebied waartoe ook Nijmegen behoorde de status van een Romeinse provincie (Germania inferior). De grensverdediging lag in handen van legioenen en hulptroepen – deze laatste werden gerekruteerd onder de inheemse bevolking – die op vaste strategische locaties waren gestationeerd. Dergelijke militaire vestigingen stonden onder militair gezag; het burgerlijk bestuur was veelal gebaseerd op samenwerking tussen Romeinse functionarissen en lokale, inheemse bestuurders. Aan de top van het provinciaal bestuur stond een door de keizer zelf benoemde stadhouder. Het Rijngebied was van groot militair belang in de strijd tegen de Frankische stammen, die deze strijd uiteindelijk in hun voordeel wisten te beslechten en in 486 onder Clovis het laatste Romeinse bolwerk veroverden.

4. De bevolking

Vanaf het moment dat zij zich in het rivierengebied vestigden, namen de Bataven vanwege hun verdrag met de Romeinse autoriteiten een bevoorrechte positie in. Hoewel het ging om een relatief kleine groep immigranten konden zij de lokale bevolking in sociaal-politieke zin al snel overvleugelen. In de eerste en tweede eeuw ontstond een samenleving die in sterke mate met het leger was verbonden en die enkele bijzondere kenmerken bezat, zoals een krijgshaftige oriëntatie, een hoge mate van geletterdheid en een grote religieuze diversiteit vanwege het samenleven van inheemse bewoners, troepen uit alle delen van het Romeinse Rijk en allerhande immigranten. Romeinse invloeden zijn duidelijk zichtbaar in de materiële cultuur, in de naamgeving van de Bataafse adel. en in de vormgeving van nieuwe begrafenisrituelen. Op godsdienstig vlak werden inheemse goden zeer vaak geassocieerd met een Romeinse godheid, totdat keizer Constantijn de Grote in de loop van de vierde eeuw het christelijk geloof tot staatsgodsdienst uitriep. Vanaf dat moment wordt de rol van het christendom steeds bepalender en verdwijnen de ‘heidense’ religies.

5. Handel en bedrijvigheid

Het Romeinse leger heeft in alle delen van het Rijk de handel en bedrijvigheid krachtig bevorderd. Ook in het oude Nijmegen was het leger de motor en de drager van de economie. De nabijheid van een grote legermacht stimuleerde de monetarisering van de economie – traceerbaar in de enorme toename van het aantal munten – en het ontstaan van een markteconomie. De ontwikkeling van Nijmegen als marktplaats is rechtstreeks verbonden met de nabijheid van het Tiende Legioen. Omdat de lokale economie niet in staat was voor het leger en de onproductieve stadsbevolking voldoende te produceren, werd een beroep gedaan op de opbrengsten uit de provincies in het achterland. Graan en andere voedselproducten werden in grote stromen van buiten de regio aangevoerd. Ook de nijverheid op lokaal niveau, onder andere de productie van aardewerk, werd sterk gestimuleerd.

6. Kunst en cultuur

De Romeinse aanwezigheid vormt een keerpunt in de culturele geschiedenis van Nijmegen en omstreken. Het gebied ging deel uitmaken van een geletterde wereld, waarin het schrift een belangrijke rol speelde in het maatschappelijk leven. Bataafse soldaten leerden Latijn lezen en schrijven – vaardigheden die zij na diensttijd mee terug naar huis namen. In de rest van de bevolking verspreidde de kennis van het Latijn en van het schrift zich via de omgang met Romeinse militairen en, voor een kleine elite, via het onderwijs. Romeinse architectuur en bouwtechniek vonden toepassing in de legerplaatsen en burgerlijke nederzettingen die hier door de Romeinen werden aangelegd. Op het gebied van de beeldhouwkunst zijn resten gevonden van enkele grote beelden en grafmonumenten, maar het zijn vooral de kleine sculpturen die bewaard gebleven zijn. De inheemse welgestelden kwamen ook in aanraking met Romeinse kunstnijverheid – sieraden, versierde wapens, serviesgoed en gebruiksvoorwerpen – deels geïmporteerd uit Zuid-Europa, deels ook hier vervaardigd.

7. Ruimte en bevolking

De kleinschalige nederzetting aan de oeverzone langs de Waal begon zich vanaf de 13de eeuw onder invloed van een aantrekkende conjunctuur snel uit te breiden en groeide aaneen met twee andere nederzettingskernen: de palts op het Valkhof en de bebouwing rond het hospitaal van Alardus (Commanderie van Sint Jan). De bebouwing en de steeds gevarieerder wordende stedelijke activiteit breidde zich uit naar de bovenstad. Het groeiende stadsoppervlak werd achtereenvolgens omgeven door drie steeds wijdere omwallingen. De stadsuitbreiding verliep niet volgens een algemeen stedenbouwkundig plan, maar volgde particuliere initiatieven. De bevolking, die in de vroeg-middeleeuwse periode naar schatting vijfhonderd zielen telde, begon omstreeks het jaar 1100 te groeien om aan het begin van de vijftiende eeuw boven de tienduizend inwoners uit te komen. Daarmee behoorde Nijmegen tot de categorie van grote steden. De groei werd veroorzaakt door immigratie, want door de hoge sterfte was de Nijmeegse bevolking niet in staat zichzelf op peil te houden. De toch al geringe levenskansen werden bij tijden door geweld en epidemieën nog aanzienlijk verkleind.

8. Economie en sociale zorg

Ziekten, misoogsten en oorlogen hielden de Nijmeegse economie en samenleving in de vroege Middeleeuwen in onzekerheid gevangen. Zij kregen weinig kans zich te ontwikkelen. De verlening van het stadsrecht aan Nijmegen in 1230 vergrootte de veiligheid van de bevolking en vormde het beginpunt van een grote economische expansie. Het ondernemerschap van kooplieden, schippers, geldhandelaars en allerhande producenten kreeg de gelegenheid zich verder te ontplooien. Ook nieuwe soorten ondernemerschap – het stedelijke (erop gericht economische voorrechten voor de burgers te verwerven) en het professionele (georganiseerd in gilden en ambachten) – kwamen tot ontwikkeling. Door de groei van de handel en de nijverheid trad de markt steeds meer in de plaats van traditionele uitwisselingsvormen in natura. Op het sociale vlak kende de stedelijke samenleving grote ongelijkheid. Het fenomeen van het burgerrecht bracht na 1230 een scherper onderscheid tussen burgers, ingezetenen en vreemdelingen teweeg. Omdat zij geen burgerrechten bezaten, vormden geestelijken, joden en lombarden speciale groepen in de stad.

9. Cultuur en mentaliteit

De parochie Nijmegen viel van oudsher onder het gezag van de Keulse aartsbisschop. De parochiekerk was toegewijd aan de heilige Stefanus en bediende behalve de stadsbevolking ook gelovigen uit de wijde omgeving. Het kloosterleven in de stad was gevarieerd en kwam vooral in de late Middeleeuwen tot bloei. Tot in de 16de eeuw beheersten het katholieke geloof en de katholieke kerk alle aspecten van het leven, ook het onderwijs. Voor zover er sprake was van een intellectueel leven, speelde dit zich af binnen de kloostermuren. Met de stichting van een universiteit in Keulen in 1388 kwam het volgen van hoger onderwijs voor een groter aantal Nijmegenaren binnen bereik. Door de vernielingen waarmee de overgang van de stad naar het protestantisme gepaard ging, is op het gebied van beeldende kunst veel verloren gegaan. Uit het weinige dat bewaard is gebleven, blijkt een nauwe verwantschap met de cultuur van het aangrenzende Nederrijnse gebied. Van de middeleeuwse architectuur is meer behouden gebleven, variërend van bouwsporen in de grond tot de huidige Stevenskerk, die stamt uit de 13de eeuw.

10. Bestuur en politiek

Onder de heerschappij van Karel de Grote werd in Nijmegen op het huidige Valkhof een palts aangelegd, een koninklijke verblijfplaats met bijbehorende agrarische bedrijven. Na de ondergang van de Karolingische dynastie werd deze palts in gebruik genomen door Duitse vorsten, totdat in 1247 de graaf van Gelre de burcht van Nijmegen en het omringende gebied in bezit kreeg. Bestuur en rechtspraak in de rijksstad – Nijmegen had in 1230 de stadsrechten verkregen – lagen in handen van een college van schepenen, dat eerst de koning en nu de graaf (later hertog) van Gelre vertegenwoordigde. Afgevaardigden van de bovenlaag van Nijmeegse burgers raakten als raadsleden betrokken bij het stadsbestuur. Uit hun midden werden vanaf het eind 13de eeuw jaarlijks twee burgemeesters gekozen. Ter behoud van de stedelijke privileges en de gewestelijke autonomie raakte Nijmegen vanaf de 14de eeuw politiek-bestuurlijk sterker op het hertogdom Gelre betrokken, met alle conflicten van dien. In 1543 kwam er met de inlijving van Gelre bij de Nederlanden van Karel V een einde aan de zelfstandigheid van het hertogdom en aan Nijmegens leidende rol in de Gelderse politiek.

11. Ruimte en bevolking

Aan het einde van de 16de eeuw kreeg Nijmegen als Generaliteitsvesting een plaats in het verdedigingsstelsel van de Republiek. Pas in 1874 kreeg de stad de vestinggronden weer in eigendom. Tot die tijd was het stadsoppervlak beperkt tot het gebied binnen de vesting en was stadsuitbreiding niet mogelijk. De ruimtelijke ordening binnen de vesting veranderde in deze periode nauwelijks. In demografisch opzicht volgde de stad het algemene patroon, met een hoog geboorte- en een hoog sterftecijfer. Het inwonertal van de stad rond 1500 wordt geschat op twaalfduizend. Daarna liep dit onder invloed van oorlogen en economische malaise terug tot circa negenduizend. In de 18de eeuw trad langzaam herstel in. Bij de volkstelling van 1795 werden ruim elfduizend inwoners binnen de stadsmuren geteld. Als garnizoenstad herbergde Nijmegen een belangrijke populatie soldaten. In de 17d en 18de eeuw was zo’n één op de vijf inwoners soldaat. Migratie naar en uit de stad was een permanent verschijnsel, maar de omvang en samenstelling daarvan zijn moeilijk vast te stellen.

12. De economische en sociale ontwikkeling in de Nieuwe Tijd

Na de economische bloeiperiode aan het einde van de Middeleeuwen ging het in de tweede helft van de 16de eeuw bergafwaarts. Na 1600 klom Nijmegen weer uit het dal omhoog, maar de groei bleef beperkt en onderbroken. De explosieve economische ontwikkeling van de Gouden Eeuw ging aan de stad voorbij. Vanaf de late 17de eeuw volgde een periode van stagnatie, die omstreeks 1780 opnieuw overging in diepe economische crisis. De Nieuwe Tijd was in economische zin weinig dynamisch; het systeem van gilden en ambachten, met zijn regels en monopolies, domineerde over het innoverend ondernemerschap. Op het sociale vlak werden de verschillen tussen verschillende bevolkingsgroepen – burgers en niet-burgers, protestanten en katholieken – sterker. De sociale zorg voor armen, wezen, zieken en bejaarden was in deze tijd in beginsel een zaak van het particulier initiatief en lag veelal in handen van parochies. De rol van de stedelijke overheid nam echter toe, zowel in de sociale zorg, als in de zorg voor de publieke ruimte en het milieu.

13. Kunst en cultuur in de Nieuwe Tijd

Nijmegen kende een grote verscheidenheid aan religieuze groeperingen, die in het algemeen vreedzaam naast elkaar leefden. Na de inlijving van Nijmegen bij de opstandige gewesten in 1591 was de politiek bestuurlijke elite van gereformeerde huize. Onder de bevolking waren en bleven de katholieken in de meerderheid. De culturele bewegingen van de Nieuwe Tijd, renaissance en barok, hebben in het stadsbeeld hun sporen nagelaten, onder andere in een nieuw stadhuis, een nieuwe Waag en een nieuwe spits op de Stevenskerk. Ook de inrichting van openbare gebouwen werd vernieuwd. In de schilder- en tekenkunst van de Gouden Eeuw speelt Nijmegen alleen als onderwerp een rol. Het aantal Nijmeegse schilders was gering. De stad kent evenmin een grote traditie van auteurs, maar leverde wel een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse boekgeschiedenis. Op onderwijsgebied beschikte NIjmegen sinds de 13de eeuw over een Latijnse School, de Apostolische school. Vanaf 1655 was er bovendien een hogeschool gevestigd. Deze Kwartierlijke Academie was echter geen lang leven beschoren en sloot in 1679 haar deuren.

14. Bestuur en politiek

In de 16de eeuw vormde Nijmegen het politieke centrum van het gewest Gelre. De stad speelde een vooraanstaande rol in de strijd om het behoud van gewestelijke en stedelijke autonomie. Na de Reductie in 1591 en de opname van Nijmegen in de Unie van Utrecht was het met deze autonomie gedaan en kreeg de stad een rol als garnizoenstad aan de oostgrens van de Republiek. De benoeming van het stadsbestuur kwam in handen van de stadhouder te liggen. Tegenover een van boven af benoemd gereformeerd stadsbestuur stond een grote katholieke bevolkingsgroep zonder politieke invloed. Na de Vrede van Munster in 1648 kreeg Nijmegen zijn begeerde zelfbeschikkingsrecht niet terug. Het heersende revolutionair elan van de laatste decennia van de 18de eeuw ging goeddeels aan het inmiddels gezapig geworden garnizoenstadje voorbij. Pas na de Bataafse omwenteling van 1795 ontstond een felle machtsstrijd met de gelijkheid van alle burgers als inzet. De katholieke emancipatie kreeg onder andere gestalte in een nieuw stadsbestuur dat voor de helft uit katholieken en voor de helft uit protestanten bestond.

15. Ruimte en bevolking

De positie van Nijmegen als steunpunt in de landsverdediging werd in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden bekrachtigd. De vestingwerken werden opnieuw opgetuigd en uitgebreid. Omdat de stadsbevolking in de loop van de 19de eeuw groeide van circa dertienduizend tot boven de twintigduizend inwoners, leidde de begrenzing van het stadsoppervlak door de ommuring tot ernstige overbevolking en verergering van de hygiënische wantoestanden. Na de loslating van het vestingstelsel in 1874 kwam er een einde aan de ruimtenood en volgde er een enorme expansie, die gefaseerd en volgens stedenbouwkundig plan verliep. De uitbreiding vond plaats in zuidelijke, westelijke en, met de nieuwe plannen voor de sprong over de Waal, ook in noordelijke richting. Het stadsoppervlak nam toe van 54 hectare vóór 1874 tot 5772 hectare in 2002. Ook in demografisch opzicht vond een explosieve stijging plaats. Verbetering in voeding, hygiëne en medische zorg leidde overal tot bevolkingstoename. In Nijmegen steeg het inwonertal tussen 1875 en 1970 van 23 duizend tot 150 duizend. Daarna stabiliseerde dit aantal. Huwelijk en voortplanting werden in de 20ste eeuw steeds meer onderwerp van persoonlijke keuze.

16. Economie en sociale zorg 19de eeuw

De economische toestand van Nijmegen was, ondanks enkele korte periodes van herstel, gedurende het grootste deel van de 19de eeuw bijzonder weinig florissant. Pas na de opheffing van de vestingstatus in 1874 brak een periode van grote economische bloei aan. De uitleg van de stad ging gepaard met nieuwe investeringen en een stijging van werkgelegenheid, inkomens en welvaart. In alle sectoren van de stedelijke economie manifesteerden zich vernieuwende ondernemers. In sociaal opzicht had de Bataafs-Franse tijd door de invoering van gelijkheid voor de wet voor iedereen formeel een einde gemaakt aan de bestaande vormen van sociale ongelijkheid. Groepen met verworven rechten en privileges (oud-burgers, oud-gilden, protestanten) hielden daar in de 19de eeuw echter nog zoveel mogelijk aan vast. In reactie hierop ontstond in Nijmegen in de loop van de 19de eeuw een aparte katholieke structuur van scholen, ziekenhuizen en sociale zorg.

17. Cultuur en mentaliteit 19de eeuw

De Bataafse omwentelingen hadden sociaal-godsdienstig vlak weinig onmiddellijke gevolgen. Protestanten behielden hun dominante positie, al werd die minder ostentatief uitgedragen dan voorheen. Pas langzamerhand wisten katholieken een sterker stempel op de stad te drukken. De uitbouw van het katholieke onderwijs kwam pas tegen het einde van de 19de eeuw op gang, terwijl het openbare en protestants-christelijke onderwijsaanbod al vanaf de jaren veertig belangrijk was verbeterd. Het maatschappelijke en sportieve verenigingsleven werd langzaamaan gevarieerder. Hierin ontstond zo nu en dan enige toenadering tussen maatschappelijke lagen en tussen confessionele tegenstellingen. Op het culturele vlak raakte de beoefening van de beeldende kunst in bredere kringen verbreid, terwijl voor de liefhebbers van muziek en toneel een stadsschouwburg werd gebouwd. In de 19de-eeuwse schilderkunst speelt vooral de fraaie natuur in de omgeving van Nijmegen een rol. Veel kunstenaars werden hierdoor aangetrokken. De enorme bouwactiviteit na de ontmanteling van de vesting leidde tot een opleving in architectuur en stadsplanologie. Nijmegen werd een stad met singels, villa’s en parken, en met een skyline waarin een groot aantal nieuwe (katholieke) kerktorens domineerde.

18. Politiek en bestuur 19de eeuw

De afkondiging van de Rechten van de Mens en de Burger in 1795 luidde het einde in van het protestantse bestuursmonopolie in Nijmegen. Eind van dat jaar werd een nieuwe Raad geformeerd waarin acht protestanten en acht katholieken zitting hadden. Met het verdampen van het revolutionaire elan keerde de oude protestantse hegemonie echter terug. Wat niet meer terugkeerde, was de stedelijke autonomie van voorheen. De speelruimte van het stadsbestuur werd door een krachtig centralisatiestreven ingeperkt. Sinds 1824 lag het dagelijks bestuur van de stad in handen van het college van burgemeester en wethouders. Volgens 19de-eeuwse liberale principes hield het stadsbestuur zich van veel kwesties afzijdig. Armenzorg, onderwijs, gezondheidszorg en openbare hygiëne werden bij voorkeur overgelaten aan kerkelijke en particuliere instellingen. De opheffing van de vestingstatus had een sterk dynamiserende uitwerking op het stedelijk bestuur. Aan het eind van de eeuw bezat de stad een ondernemend en voortvarend bestuur en een snel uitdijend bestuursapparaat. Tegen die tijd hadden katholieken in de Nijmeegse gemeentepolitiek een leidende rol verworven. Het tijdperk van de katholieke hegemonie was begonnen.

19. Economie en sociale zorg 20ste eeuw

De ongekende economische expansie van de 20ste eeuw ging gelijk op met een toename van gemeentelijke interventies in de lokale economie. Ook de rol van de rijksoverheid in de regulering van de lokale markt nam sterk toe. Net als elders was het Nijmeegse productieapparaat in de 20ste eeuw het object van permanente innovatie. De traditioneel sterke sector van ambacht en nijverheid werd in de tweede eeuwhelft door de uitdijende dienstensector overvleugeld. Nieuwe groepen, zoals vrouwen en etnische minderheden, maakten hun opwachting op de arbeidsmarkt. Ondanks enkele tijdelijke terugslagen vervijfvoudigde het reëel besteedbare inkomen. Ook op het sociale vlak waren de ontwikkelingen in de 20ste eeuw ingrijpend. Via subsidies en regelgeving nam de landelijke overheid het initiatief van de gemeentelijke, kerkelijke en particuliere instellingen steeds meer over. De zorg voor armen, zieken en bejaarden werd een overheidstaak. Het onderwijs en de woningmarkt werden eveneens terrein van toenemende overheidsbemoeienis. In de 20ste-eeuwse samenleving maakten oude sociale tegenstellingen tussen klassen plaats voor nieuwe vormen van ongelijkheid, waaromheen zich ook in Nijmegen nieuwe maatschappelijke bewegingen profileerden, zoals de vrouwen- en de kraakbeweging.

20. Politiek en bestuur 20ste eeuw

De opmars van de katholieken in de Nijmeegse gemeentepolitiek werd in 1898 bekrachtigd met de benoeming van de eerste katholieke burgemeester. Niet lang daarna werd de heersende katholieke elite geconfronteerd met de opkomst van het socialisme. In reactie op deze bedreiging kwam een netwerk van roomse organisaties en verenigingen tot ontwikkeling, waarmee de katholieke top de controle over haar achterban trachtte te behouden – met succes. Op die manier zorgde de aanhoudende katholieke dominantie er tevens voor dat rechts-autoritaire politieke bewegingen in de jaren dertig in Nijmegen weinig voet aan de grond kregen. De oorlogsjaren doorbraken het bestaande politieke krachtenveld, maar met het herstel van het College en de gemeenteraad in 1945 keerde ook de oude rivaliteit tussen Rooms en rood weer terug. Pas in de jaren zestig, met het uiteenvallen van de katholieke zuil en de instroom van grote aantallen studenten en academisch personeel, begonnen de verhoudingen te veranderen. Na een periode van sterke politieke polarisatie, kleurde de Nijmeegse gemeenteraad in de jaren tachtig steeds roder. Met de vanzelfsprekende confessionele dominantie was het voorgoed gedaan.